Zaterdagavond. Ik zit in de metro op weg naar een feestje ergens in Oost, dus ik besloot uit verstandigheid en uit logistiek oogpunt de metro te pakken. Oost is namelijk zo’n pokke eind weg dat er geen nachtbussen rijden en gezien mijn fiets twee maanden gestolen is in de Reguliersbreestraat, had ik een excuus om gewoon te blijven slapen.
Maar, eerst moest ik met de metro. Als ik metrolijnen zou mogen rangschikken op saaiheid en op de verdomde lage frequentie die ze ’s avonds hanteren, dan staat de Amsterdamse metrolijn 50 van de Isolatorweg (wonen daar eigenlijk wel mensen? Echte mensen? Die je kunt aanraken?) naar het zeer populaire en supercoole Gein. Hoewel ik metrolijnen altijd definieer met de mensen die er inzitten (metro 51: gansters, metro 53: jongens met een nors gezicht en een jas met nepbond er aan, meisjes die wellicht goed om te kopen zijn voor alcoholistische drank, etcetera), vind ik het in de metro 50 altijd verdomd lastig om de mensen die er in zitten te definiëren. Zo zit de 50 vol met een etnische mix van gangsters, breezersletjes en bondkraagjongetjes, kantoorpikkies, blije “Ha-Ik-Woon-In-West-Buiten-De-Ring-En-Ik-Vind-Dat-Heel-Leuk-Hoor” studenten en God Redt vrouwen. Verwarrend, heel verwarrend.
Maar het meest noemenswaardige op die heldere avond was nog wel de vrouw die bij station Sneevlietweg instapte. Ze ging zitten en ze pakte haar telefoon. Stations passeerden en ze belde. Eerst heel zachtjes, en daarna steeds harder. “Hey, ja jij. Bel ik je ongelegen? Nee? Dat maakt me niet uit. Ik wil iets tegen je zeggen, vuile kankermogool” zei ze tegen haar telefoon. Alle breezersletjes, bondkraagjes, kantoorpikkies en buiten-de-ring-studentjes keken elkaar zwijgend aan. De vrouw mompelde iets, een station passeerde en ze ging weer verder met haar uitvoerige betoog. “Ja, vieze kankermogool, luister maar eens goed. Wat je flikt he, tyfusleijer, dat is gewoon naai. Tyfusnaai. En zal ik je eens wat zeggen? Mensen zoals jij he, ze moeten godverdomme helemaal dood gemaakt worden. Doodrotten mag je. Opgegeten worden door honden, in elkaar geslagen: ik wens het je allemaal toe”. Even luisterde ze, ze haalde even adem en ze ging weer verder. “Fuck you. Echt, fuck you. Nee, ik ben niet onredelijk, ik vertel je de waarheid. En nee, ik ga nu ophangen en ga jij maar lekker rotten in de hell. Ja, doei!” zei ze en ze stopte haar telefoon weg. De hele metrocoupé deed even alsof ze het hele gesprek maar niet hadden meegekregen en de vrouw stak in de metro een sigaret op. Al snel vulde de geur van tabak zich in het metrostel. Ergens in mij riep iets dat ik de vrouw moest aanspreken op haar gedrag, roken doe je niet in een metro, maar diep van binnen zei mijn onderbuik dat ik het niet moest doen. Dat was hetzelfde voor alle andere metropassagiers, die ook keurig hun mond hielden. Een paar haltes passeerden en de vrouw stapte uit op Station Zuid. Een halte later stapte ik uit, de donkere en jonge nacht in, terwijl ik nog een keer denk aan de vrouw.
{Geschreven voor Spunk.nl, maar die wilden hem niet hebben. Hier dus.}



